
Een van de boeken van C.S. Lewis heet De Beeldhouwer en zijn beeld. Lewis (vooral nu bekend vanwege Narnia) schrijft erg vaak over de verhouding tussen God en de opstandige mens. Als geen ander weet hij je ervan te overtuigen hoe belangrijk het is om jezelf aan God over te geven. Voor Lewis was dat geen gemakkelijke zaak. Ergens zegt hij, dat als er één zondaar is, die tegenspartelend van het rijk van het duister overgebracht is in het koninkrijk van God, dat hij dat dan is. Maar wie eerlijk voor de spiegel staat, weet dat het ook een universeel menselijk probleem is. We zijn allemaal zo. Niemand heeft uit zichzelf de behoefte om zijn leven op te offeren aan God. We leven veel liever voor onszelf.
Overgave is een proces en wij hebben een bepaalde invloed op dat proces. Deze maand gaat het over: het karakter van Gods dienaar. We willen gaan voor God, we willen zijn boodschap verder brengen, maar accepteren we ook dat God wil dat de boodschapper bij de boodschap past?
Het is duidelijk dat iedereen die Jezus effectief wil volgen een leerproces moet doormaken. Omdat dat leerproces soms best langdurig en moeilijk is, lukt het bijna niemand om het vol te houden zonder de liefdevolle steun van geloofsgenoten. Voor groei in een karakter dat bij God past, hebben we de Geest van God nodig, maar ook elkaar.
Nu hoor je vaak mensen zeggen dat ze voor God willen gaan en dat ze er werk van gaan maken, maar wat komt er uiteindelijk van terecht? Hoe vruchtbaar is mijn leven nu werkelijk? We vinden het vaak al moeilijk genoeg om kritisch naar onszelf te kijken, laat staan dat een ander er nog iets over mag zeggen. Jamie Buckingham schreef een indringend boek met de titel De zegen van kritiek en je vraagt je af of zo'n boek ooit een herdruk zal beleven; het is vast geen bestseller. Wij Nederlanders houden er niet zo van om uit de toon te vallen. "Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg", zeggen we dan. En een dergelijke uitspraak doet mij dan denken aan Jezus, die vroeg: "Wat voor uitzonderlijks doe je dan?" (lees Matteüs 5:43-48) . Jezus gaat ervan uit dat wij het gewoneinruilen voor het uitzonderlijke. Hij verwacht dat we ondernemend zijn voor hem en zijn hemelse Vader.